Begin binnenshuis, niet op de fiets
Zet de fietskar een paar dagen open en onbeweeglijk neer in huis of tuin, zonder dat er meteen gefietst wordt. Leg er een kussen, een stuk speelgoed of wat brokjes in en laat de hond zelf op onderzoek uitgaan. Dwing hem niet naar binnen; een hond die zelf besluit erin te stappen, bouwt een heel andere associatie op dan een hond die wordt opgetild en neergezet. Dit stadium duurt bij de ene hond een paar uur, bij de andere een paar dagen, en dat verschil zegt niets over hoe het verder gaat.
Voeg beweging toe zonder te fietsen
Zodra de hond ontspannen in de kar gaat liggen of zitten, duwt u de kar voorzichtig heen en weer terwijl de hond erin zit, eerst een paar centimeter, dan een paar meter door de tuin of gang. Beloon rustig gedrag met een kalme stem en af en toe een snack, maar maak er geen overdreven feest van: te veel opwinding van uw kant kan een hond juist onrustiger maken. Doe dit een paar keer per dag in korte sessies van enkele minuten in plaats van één lange oefening.
De eerste keer echt fietsen
Kies voor de eerste rit een rustige straat of een stil fietspad zonder veel verkeer of andere honden. Rijd de eerste keer niet langer dan vijf tot tien minuten en in een rustig tempo, zodat de hond kan wennen aan het geluid van de wielen, de trilling en de bewegingen in bochten. Stop na deze korte rit bewust op een positieve noot, ook als het prima ging, in plaats van door te fietsen tot de hond onrustig wordt. Bekijk voor het monteren van de koppeling zelf ook hoe u een fietskar aan de fiets bevestigt, zodat u dit al onder de knie heeft voordat de hond meegaat.
Signalen dat het te snel gaat
Hijgen zonder inspanning, aanhoudend janken, proberen uit de kar te klimmen of juist muisstil ineengedoken zitten, zijn signalen dat u een stap terug moet zetten. Ga dan terug naar de vorige fase: korter rijden, of zelfs terug naar stilstaand oefenen in de tuin. Vermijd het om door te zetten in de hoop dat de hond er wel overheen komt; dat vergroot vaak juist de associatie tussen de kar en een onprettig gevoel.
Opbouwen in duur en afstand
Breid de ritten pas uit zodra de hond de vorige stap moeiteloos en ontspannen doorstaat, niet volgens een vast schema in dagen. Bij de meeste honden is dit een kwestie van één tot twee weken van korte, regelmatige oefeningen; sommige honden hebben binnen een paar ritten door dat er niets te vrezen valt, andere hebben meer tijd nodig, vooral als ze van nature al schrikachtig zijn. Neem tijdens langere ritten pauzes in en bied water aan, zeker bij warm weer. Voor de praktische kant van een eerste volwaardige tocht, inclusief wat u vooraf checkt, leest u verder in de eerste rit met de fietskar.
Verschil tussen pups, volwassen honden en oudere honden
Een pup went vaak sneller aan de kar zelf omdat hij nog weinig vaste associaties heeft, maar mist tegelijk het incasseringsvermogen van een volwassen hond en heeft daarom kortere, vaker herhaalde oefeningen nodig. Een volwassen hond die al angstig is voor nieuwe voorwerpen, vraagt meer geduld in de eerste, stilstaande fase en heeft baat bij een iets langzamere opbouw dan hierboven beschreven. Een oudere hond met minder soepele gewrichten went vaak snel aan het idee van de kar, simpelweg omdat liggen prettiger is dan lopen, maar verdient extra aandacht bij het in- en uitstappen, waarbij een lage instap of een opstapje het verschil maakt tussen soepel wennen en het vermijden van de kar.
Veelgemaakte fouten bij het wennen
De meest voorkomende fout is te snel naar de fiets willen, nog voordat de hond ontspannen stilstaand in de kar zit. Een tweede valkuil is de hond in de kar tillen in plaats van hem zelf te laten instappen: dat voelt voor de hond als controleverlies en vertraagt het wenproces eerder dan dat het versnelt. Ten slotte werkt te veel poeha bij elke kleine stap averechts; een rustige, herhaalbare routine werkt beter dan een uitbundige beloning die de spanning juist verhoogt.



